Op Bali woon je buiten. Het woongedeelte van het huis is open, de tuin hoort erbij. De zeebries waait zwoel langs eettafel en zithoek, naar de vijver, het terras, de zwembaden, en naar de palmen bij de tempel. De slaapkamers hebben  airco om in warme nachten de slaap te verkoelen, maar overdag kunnen alle ramen tegen elkaar open worden gezet. Op het balkon  's morgens ontbijt en bij zonsondergang een biertje, de zee blauw, oranje of zwart in de verte. Soms een ruisende regenbui. Het gevoel dat je had als kind in een zelfgebouwde tent of een boomhut geeft de Baleh Bengong. Wegkruipen. Lezen. Dromen. Slapen. Vers fruit  eten. Een cocktail drinken. Hij staat naast het zwembad. Wordt het te warm, duik je het water in. De goden hebben hun eigen huis in ons huis. Twee tempels gewijd aan de goden bewaren de vrede en het geluk in huis en tuin en weren demonen. De pembantu brengt dagelijks offers, een bladermandje met bloemen en fruit. Als de wereld wakker wordt, de vogels gaan zingen, de aarde kleur krijgt is er niets heerlijker dan naar zee te gaan, op het strand naar de golven en het schuim van de zee te kijken. Je bent er alleen, op een visser na die zijn net in zee werpt en zijn vangst aan land trekt.
pic_VLAVAKeen bezoek van Thomas zie je als je op de foto klikt.